Ad van Denderen
text  | work  | CV  | publications  | video
Uit het dagboek van Ad van Denderen
Vechters & vredestichters
Gepubliceerd: 5 november 2009 bij NRC

© Vincent Mentzel 2007

Fotograaf Ad van Denderen was een jaar lang onder militairen. Hij ging mee op missie in Afghanistan en Tsjaad. Hij zag hoe jongeren werden getraind voor vechtfuncties. En hij bezocht het thuisfront.

Oktober 2008
Op het Stroese Zand is een zandverstuiving afgezet met linten. In het midden staat een pantservoertuig met zwaailicht. Zogenaamd getroffen door vijandelijk vuur. Enkele containers moeten Afghaanse huizen voorstellen. De EOD (Explosieven Opruiming Dienst) onderzoekt ze op explosieven. Ad van Denderen (Zeist, 1943) is reportagefotograaf. Zijn werk is te zien geweest in steden als Parijs, Houston en Londen. Hij werd onder meer bekend met zijn meerjarige project GoNoGo, waarbij hij langs de grenzen van Europa reisde om vluchtelingen en asielzoekers in beeld te brengen. Soldaten van Battle Group 7 leunen verkleed als Taliban strijders met een zak over hun hoofd tegen de containers. Even later worden ze naar een pantservoertuig afgevoerd.
Niet alle soldaten willen op de foto. Ze zijn bang dat fundamentalisten in Nederland hun familie iets aandoen.

10 oktober 2008
Uitreiking van rode baretten van de Luchtmobiele Brigade. Soldaten krijgen een rode baret na een opleiding van 23 weken, het kader na 7 weken. Met vijfentwintig kilo op de rug zijn ze om vier uur in de ochtend vertrokken voor een mars van twintig kilometer. Voorafgegaan door de militaire kapel marcheren ze rond negen uur, onder applaus van familie en vrienden, uitgewoond het kazerneterrein op. Iedere soldaat krijgt een blik bier dat op de appèlplaats wordt leeg gespoten.
Twee soldaten gaan in een teil met sop zitten. Ze steken een grote sigaar op. Ze hebben het gehaald.
16 oktober 2008
Uitreiking van onderscheidingen voor bewezen dapperheid, op het landgoed Bronbeek in Arnhem. Vanwege de file waar minister Eimert van Middelkoop en generaal Van Uhm in staan, wordt de plechtigheid een half uur uitgesteld. Vier militairen, een ex-militair en de moeder van de in Afghanistan omgekomen soldaat Schol wachten geduldig. Met het rood-wit-blauw in top en het spelen van het Wilhelmus wordt het officiële gedeelte afgesloten.

5 november 2008
Beëdiging van 33 militairen in de Jan van Schaffelaar kazerne te Ermelo. Alle nieuwe militairen leggen hun eed en belofte publiekelijk af. Militairen van de Koninklijke Landmacht doen dit op het vaandel van het regiment waarbij zij zijn ingedeeld.
De eed luidt: ‘Ik zweer trouw aan de koningin, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht’.
De belofte zegt: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig. Ik beloof trouw aan de koningin, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht. Dat beloof ik’.

27 oktober 2008
De eerste lichting van de Luchtmobiele Brigade komt op in de Oranjekazerne te Schaarsbergen.
Sommigen zijn pas zeventien jaar, anderen achttien. Op gymschoenen, in spijkerbroek, een gevulde weekendtas hangt over hun schouder. De meesten komen uit de provincie, hun vooropleiding is vaak vmbo.
Met het legernummer voor hun borst worden ze in een camouflageshirt gefotografeerd. Hier nemen ze afscheid van hun burgerbestaan. Sergeants delen bevelen uit. Het ‘goedemorgen’ van eerder die ochtend is vervangen door: ‘Mannen!!’
Een groepje instructiesergeants kijkt meewarig naar de gymschoenen van de nieuwe lichting. ‘Dat worden de eerste week weer vele middenvoetbreuken’. Een uur later staan ze met hun legeruitrusting als compagnie Alfa of Bravo op een stuk asfalt voor hun tentenkamp. Daar zullen ze twee weken verblijven.
Zorgwekkend is het aantal uitvallers bij de Luchtmobiele Brigade. Bij de opleiding van de reguliere infanterie valt een kwart van de rekruten af. Bij het schoolbataljon van de Luchtmobiele Brigade, een fysiek zware opleiding, ligt dat percentage boven de veertig. Er heerst extreme discipline. Na enkele uren drillen wordt er al met twee woorden gesproken. Ja sergeant, nee sergeant. Soms zijn er incidenten, maar het groepsgevoel overheerst. De opleidingssergeants maken veel werk van de onderlinge band. Het peloton is zo sterk als de zwakste schakel.

22 november 2008
Omroep MAX neemt Kerst- en Nieuwjaarsgroeten op die tijdens de Kerstdagen aan de uitgezonden militairen getoond zullen worden. Zo’n 1.500 à 2.000 familieleden en vrienden verzamelen zich in de Groenoordhal te Leiden. Daar wachten ze op het moment dat ze een boodschap van een minuut kunnen inspreken voor hun geliefde op missie. Staatssecretaris Jack de Vries en generaal Van Uhm staan voor de cabines waar de boodschappen worden opgenomen geanimeerd met elkaar te praten.

De opnames duren de hele zaterdag.

1 december 2008
Persreis naar Tsjaad. We vliegen met een Spaans legervliegtuig naar Camp Ciara vlakbij Goz Beida. Van Uhm en Jack de Vries zijn ook aan boord. De landingsbaan ligt twee kilometer van het kamp. Om half elf landen we in wolken van stof en rijden we naar het kamp. Dat staat onder leiding van de Ieren. Er zijn tweeënzestig Nederlandse mariniers gelegerd.

’s Middags gaan we in Viking voertuigen en landrovers (LARO) op patrouille naar Goz Beida. Aan de rand van Goz Beida, voor het kantoor van de prefect stoppen we. De voertuigen worden in een grote cirkel opgesteld. Zo is het moeilijker om ze aan te vallen. De commandant gaat bij de prefect op bezoek. Vervolgens vertrekt de karavaan naar het vluchtelingenkamp even buiten Goz Beida. Aan de rand van het dorp worden we opgewacht door mensen van de VN en vele Non Gouvernementele Organisaties (NGO’s).
Vertegenwoordigers van de pers stappen in de pick-ups van de NGO’s. Vanwege hun onafhankelijkheid willen zij niet samen gezien worden met de militairen. In een stoet van witte pick-ups rijden we stapvoets door het vluchtelingenkamp, via de intercom krijgt iedereen uitleg over de situatie in het kamp.
De volgende ochtend reikt staatssecretaris Jack de Vries aan alle mariniers een waarderingsmedaille uit. Een uur later vertrekken we voor een driedaagse patrouille naar de Soedanese grens (Koukou Angarana).
Met tien Viking pantservoertuigen en drie landrovers gaan we op weg. Bij de spaarzame, soms verlaten, dorpen onderweg wordt er halt gehouden voor een bezoek aan de prefect.
Iedere prefect klaagt over het banditisme, er is geen controle. Dat de Europese troepenmacht EUFOR het dorp maar een keer in de twee, drie weken aandoet zet geen zoden aan de dijk, vinden ze.
Een paar kilometer buiten het dorp wordt het bivak opgeslagen. De Viking pantservoertuigen en de landrovers vormen een kring op de vlakte. Stretchers voorzien van muskietengaas worden uitgeklapt en voedselpakketten uitgereikt: een beetje warm water in de aluminium zak met inhoud gieten, twee minuten wachten en eten maar.
Om zes uur valt de nacht. Er mag niet meer worden gesproken.
Om vijf uur opstaan, de mariniers maken koffie. Om acht uur landt een Ierse heli met benzine voor de voertuigen en om half negen vertrekken we richting grens.
Een paar uur later zijn er problemen. Een Viking pantservoertuig is warm gelopen en kan niet verder.
De pers gaat met een patrouille het dorp in, we bezoeken drie NGO kantoren, ze liggen er verlaten bij. Iedereen is vertrokken naar Goz Beida. Na een aantal incidenten – met het pistool tegen het hoofd werden autosleutels, geld en goederen opgeëist – zijn de hulpverleners vertrokken. Bij een nieuwe waterplaats met zes blinkende kranen draait een marinier de kraan open. Geen water. Het aggregaat dat de waterpomp aandrijft is gestolen. De volgende dag vertrekken we naar het basiskamp Ciara.
Onderweg doen we nog twee vluchtelingenkampen aan, in een ervan zitten ontheemde kinderen. Een jongetje gehuld in lompen staart wezenloos voor zich uit. Intuïtief loop ik erop af. Niet doen, denk ik nadat ik twee foto’s heb gemaakt. Blijf van het clichébeeld af.
Twintig kilometer voor Goz Beida begeeft een van de Landrovers het. De jeep moet worden gesleept. De leidinggevende officier verbiedt me om hier een foto van te maken.
Camp Ciara wordt overgenomen door de VN, de Nederlandse mariniers zullen in maart 2009 vertrekken. De vierhonderd Ieren blijven er ter ondersteuning van de VN.
Het lijkt of de problemen in Tsjaad door de aanwezigheid van Eufor en de NGO’s gecompliceerder zijn geworden. Het terrein van de grens tot aan Goz Beida (tachtig kilometer) is een vrijplaats voor bandieten. Er is geen enkel gezag. De dorpelingen, van oorsprong boeren, zijn massaal naar de vluchtelingenkampen rond Camp Ciara naast Goz Beida getrokken. Daar wachten zij op betere tijden. De vluchtelingen hebben het mede door de NGO’s relatief beter dan de mensen uit Goz Beida. Ze worden gevoed, er is water en onderwijs. Perspectief is er weinig. Het vluchtelingenkamp staat op de landbouwgronden van de mensen uit Goz Beida.
In Afrika ben je niet alleen inwoner van een land, maar behoor je in de eerste plaats tot een stam. Je kan de ene stam niet ongestraft onderbrengen op het land van een andere stam. Vroeg of laat geeft dat problemen.

6 januari 2009
Voorbereiding Missie Uruzgan. Ik maak kennis met majoor Sander Hendrikx van het Logistic Support Detachement. Hij is mijn contact voor het traject Uruzgan. Sander is een man die midden in het leven staat. We kunnen het goed met elkaar vinden. Om half negen brengen veertig militairen een bezoek aan de Dyanet moskee in Harderwijk. De militairen trekken hun kistjes uit en lopen de moskee in. Gezeten op een kleed luisteren ze naar de islamdeskundige, die met zijn gezicht naar de militairen en met zijn achterwerk naar Mekka de gebedshouding voordoet en over de islam vertelt. ’s Middags keren ze terug naar het leslokaal. Er is instructie over hoe je een afspraak moet maken. Tijdens het rollenspel is de Afghaanse boer boos omdat de Nederlanders uit strategische overwegingen (angst voor hinderlaag Talibaan) geen concrete datum willen noemen. Daarna volgt er een lesje handen schudden en omhelzen. De ferme Hollandse hand is in Afghanistan niet handig, je kunt beter een slap handje geven.
Een officier, net terug uit Uruzgan, vertelt dat er bij toeval in Kandahar een truck met zeshonderd kilo dynamiet is aangehouden en dat er Afghaanse politie-uniformen zijn gestolen. Waarom staat dat niet in de krant? Of komen deze berichten niet door de censuur?

21 januari 2009
Per touringcar vertrekken we om half acht ’s ochtends vanaf de Mauritskazerne in Ede met twaalf man naar het oefenterrein op de Harskamp. Na het gooien van twee handgranaten en het leegschieten van twee magazijnen per persoon, maar vooral na heel lang wachten, zijn we om half zes terug in Ede.

3 februari 2009
Bijna driehonderd scholieren van diverse ROC’s met de opleiding Vrede & Veiligheid hebben een bivak van een week in de marinierskazerne te Doorn. Mobiele telefoons en sigaretten worden afgenomen, aan het eind van de week krijgen de leerlingen ze terug. Volgens de instructeurs valt de conditie van de scholieren mee, het probleem zit hem vooral in hun discipline, hun karakter. Soms vergeten ze hun taken uit te voeren, of ze doen het werk maar half.
In een van de chemische toiletten werd ondanks het verbod toch gerookt. Alle studenten van tent 1 moeten aantreden. De dader moet naar de instructeurs aan de andere kant van het bivak tijgeren waarna hij zich minutenlang moet opdrukken. Een sergeant beveelt hem zijn jack uit te doen. Dan moet hij de sergeant met een boomstam van 2.20 meter tijgerend volgen. Daarna moet hij zich weer opdrukken.
Ik maak een foto, de sergeant schreeuwt naar de andere instructeur, geen foto’s. Waarom zegt hij dat niet rechtstreeks tegen mij? Na tien minuten laat de jongen zich zakken, hij houdt de opgedrukte stand niet langer vol.
Zijn medescholieren willen hem te hulp schieten. „Opdonderen”, schreeuwt de sergeant als ze op hem af rennen. Er volgt een donderspeech: „Dit soort individuen”, hij doelt op de gestrafte jongen, „zijn een gezwel voor de samenleving. Ga daar niet mee om”.

31 maart 2009
Vertrek vanaf vliegbasis Eindhoven naar Uruzgan.
In de vertrekhal staan de militairen met hun familie te wachten. Onder hen het Logistic Support Detachement en het 42ste Pantserinfanterie bataljon van de Limburgse Jagers uit Oirschot. Een van hen is Azdin Chadli die later zal omkomen tijdens een raketaanval op kamp Holland. Tijdens het afscheid wordt veel gehuild. Niet alleen door de achterblijvers, ook de soldaten snikken flink. Om half twaalf gaan we aan boord van de Boeing van Martinair. Om half elf ’s avonds landen we op de luchtmachtbasis Minhad in de Verenigde Arabische Emiraten.
Daar krijgen de militairen een schermvest, hun helm en het persoonlijk wapen. Om half twee ’s nachts vertrekt de eerste vlucht naar Kandahar. Ik zit in de tweede vlucht die om drie uur vertrekt. Met schermvest om en helm op nemen we plaats in het legervliegtuig. We landen bij het ochtendgloren op het legervliegveld van Kandahar en worden per bus naar een grote tent gebracht. Daar liggen honderden militairen uit verschillende landen op stretchers te wachten op hun vlucht.
’s Middags krijgen we instructie over het luchtalarm. Dat is er bijna elke dag. Eerst twee minuten op de grond liggen, daarna zo snel mogelijk een bunker opzoeken, het ‘all clear’ signaal afwachten en dan naar de tent gaan waar iedereen geteld wordt.
Tijdens het diner in de grote eetzaal gaat het alarm af, twee nieuwkomers gaan op de grond liggen terwijl de rest doorgaat waarmee ze bezig waren: eten.
Om de tijd te doden sluit ik mij aan bij een groep militairen die de IED-straat (IED = Improvised Explosive Device, een geïmproviseerd explosief) wil bezichtigen, een strook land waar verschillende soorten nepbermbommen in de grond zijn verstopt. Met twee trucks gaan we op weg. Na een half uur over het kamp rijden, we verdwalen vele malen, komen we aan bij de IED-straat. Onderweg passeren we enkele velden met Russische mijnen, overblijfsels uit de Afghaans–Russische oorlog.
In tegenstelling tot Kamp Kandahar blijkt Kamp Holland, waar ik de volgende dag naartoe vlieg, zeer geordend en goed beveiligd.
Ik kan meteen mee op patrouille naar de Baluchi-vallei, zo’n dertien kilometer van Kamp Holland.
Voor ik instap krijg ik van de Press Information Office een band waarmee ik mijn been of arm kan afbinden, voor het geval ik op een bermbom mocht stappen. Een emotioneel moment. Het vooruitzicht om me de mij resterende jaren op krukken te moeten voortbewegen, vind ik weinig aanlokkelijk. Ik stap in het gepantserde voertuig. Binnen twee minuten kan ik mijn band niet meer vinden. Dat probleem is opgelost.
De bovenklep van het pantserrupsvoertuig (YPR-765 A1) gaat open. Een tijd geleden reden ze nog met een dichte klep maar sinds een militair zijn nek brak toen hij tegen de klep aankwam na de explosie van een bermbom, blijft het luik open. De luitenant geeft mij een paar handschoenen. Bij een IED-explosie kan het 1000 graden worden, de handschoenen beschermen tegen verbranding.
In een lang lint van negen gepantserde voertuigen rijden we naar de buitenring van Kamp Holland. Daar worden de wapens op scherp gezet en wordt er koffie en cake geserveerd voor we de poort uitrijden.
Onderweg stoppen we voordurend en gaan de specialisten op zoek naar IED’s. Anderen fouilleren Afghanen.
Een paar pick-ups scheuren door de droge rivierbedding die naast de weg ligt. In de laadbak staan Afghaanse politiemannen, een zooitje ongeregeld met spiegelbrillen en sjaals om hun hoofden, het is net of ze zijn weggelopen uit de film Rocky. Hun gedrag ergert de Nederlandse militairen. Tegen de avond bereiken we Boeman, een vooruit geschoven legerpost waar een handvol Afghanen en Australiërs zit.
Het regent. Er wordt een provisorisch kamp ingericht. Er zijn drie tenten. De rest van de militairen zoekt beschutting onder gespannen dekzeilen. De volgende ochtend vroeg gaan we op zoek naar een naaiatelier waar Afghaanse weduwen werken. We lopen in formatie door maïs- en opiumvelden, we waden door sloten met het water tot aan ons middel. Zo bereiken we de rand van het dorp waar we enkele Afghanen ontmoeten.
Een met de militairen mee reizende Afghaanse tolk informeert naar het met ontwikkelingsgeld opgezette naaiatelier. Het blijkt niet te bestaan. Op aandringen van een inlichtingenofficier probeert de Afghaanse tolk informatie in te winnen over de Talibaan. De Afghaanse dorpelingen weten van niets. Na dertig jaar oorlog is neutraal zijn hun overlevingsstrategie. Een uur lang staat het Nederlandse leger met machtsvertoon in het dorp. ’s Avonds en ’s nachts is de Talibaan er heer en meester.
Het regent nog steeds als we het dorp verlaten en in formatie terug naar de legerpost lopen. Drijfnat en met soppende schoenen kom ik terug in de tent. Baudewyn zet koffie en Mark werpt mij een paar droge sokken toe. Er wordt veel gelachen en gerookt. De jongens van het pantservoertuig vormen een hecht team.
Even later loop ik naar de wc die uit pvc-buizen bestaat die schuin in de grond staan, een kwestie van goed mikken. Poepen is iets complexer, je moet boven een soort poepdoos hangen en de uitwerpselen in een plastic zak opvangen en naar het uiteinde van het kamp brengen waar ze worden verbrand. We reizen oostwaarts, de militairen fouilleren regelmatig langskomende Afghanen. Het gaat weer regenen. Ik loop naar de bazaar die met ontwikkelingsgeld is gebouwd van containers. Ik wil iets kopen. Vlak voor mij wordt het rolluik demonstratief dicht getrokken.
Om kwart over zes zijn we terug op de parkeerplaats van Kamp Holland. We stappen uit, ik loop richting eetzaal. Plotseling hoor ik een hoog fluitend geluid. Ik kijk op en zie een grote wolk dieselwalm over mij heenkomen, gevolgd door een klap. De raket is aan de andere kant van de eetzaal ingeslagen. Azdin Chadli uit Uden, 20 jaar oud en pas een week in Afghanistan, wordt dodelijk getroffen. Vijf van zijn collega’s raken gewond, twee ernstig.
Er is geen moment paniek, er wordt snel en rustig gehandeld. Binnen vijf minuten liggen de getroffen militairen in het ziekenhuis, honderd meter verder. De volgende ochtend om acht uur is er een herdenkingsdienst in de grote hangar bij de landingsbaan van Kamp Holland.
De kist met Azdin Chadli wordt door zijn kameraden van het 42ste Pantser Infanteriebataljon Limburgse Jagers uit het mortuarium gedragen. Na een aantal toespraken lopen zijn geëmotioneerde kameraden met Azdin door een erehaag van militairen die tot aan het gereedstaande vliegtuig reikt. Met een indrukwekkend saluut verdwijnt het vliegtuig met Azdin Chadli voor zijn laatste vlucht de azuurblauwe lucht in.

9 juni 2009
Vroomshoop. Bezoek aan de familie van de 20-jarige soldaat eerste klasse van de Luchtmobiele Brigade. Tim Hoogland is tijdens een vuurgevecht in de omgeving van Deh Rawod op 20 september 2007 omgekomen. Het gezin is onder protest van de dochter net verhuisd. Zij kon moeilijk afscheid nemen van het huis waar haar broertje is opgegroeid. In de huiskamer is vlak naast de tv een altaartje ingericht ter nagedachtenis aan Tim.
Op de bovenverdieping, in zijn slaapkamer, zijn Tims (leger)spullen uitgestald. Op zijn bed staat een grote foto, eronder liggen de twee linten die aan het bloemstuk van zijn kameraden vastzaten. Naast de deur Tims legerkistjes. In de hoek zijn plunjezak en naast het bed zijn cd/dvd’s. De familie is ruim tien jaar geleden vanuit Amsterdam naar Vroomshoop verhuisd, zijn moeder kon daar maar moeilijk wennen. Ze had heimwee naar de stad. Nu Tim hier ligt begraven kan ze niet meer terug naar Amsterdam. Ze wil bij haar zoon zijn.

9 juni 2009
Udenhout. Bezoek aan de familie Krist. De 24-jarige luitenant Tom Krist kwam om het leven bij de aanslag van een zelfmoordenaar op de bazaar van Deh Rawod op 10 juli 2007. Ik word net als bij de ouders van Tim, heel hartelijk ontvangen. In de huiskamer op het dressoir staat een geschilderd portret van hun zoon en een steen met daarop de lijfspreuk van Tom (uit het Evangelie van Thomas, vers 77), ‘Splijt een stuk hout en ik ben er, pak een steen en ik zal er zijn’.

more texts